Robots

ieder nadeel heb zijn voordeel, en ieder voordeel heb zijn nadeel. Ook met dit onderwerp. Als ik het moment nu vergelijk met de tijd dat Charles Darwin zijn ontstaan der soorten heeft geschreven, is er nu heel erg veel dingen die robotachtig zijn. Veel en veel meer dan ik op het eerste gezicht zou denken. Stel dat ik het de komende 4 weken zonder stroom zou moeten doen zou ik pas gaan beseffen hoe erg ik verslaafd ben aan robots/elektronica. Al die processors, al die chips. Denk aan een pacemaker, er zijn zelfs al brainmakers (deep-brain-stimulation) Vanuit het determinisme bekeken zie ik de mens ook als een soort van robot, weliswaar van vlees en bloed, en geen stroom maar zuurstof als brandstof. Vanuit het determinisme zijn menselijke gedragingen die volgens mij los staan van ons bewustzijn. Heel lang geleden keek ik wel eens naar de man van 6 miljoen, ik geloof dat zijn naam Lee Majors was. Deze meneer had veel elektronica in zijn buik. Zoiets is heden ten dagen al helemaal niet meer zo futuristisch.

Onze 2 vice premiers Kamp & Asscher (duo List & Bedrog). ik zie op moreel vlak grote voordelen als deze 2 personen zouden worden vervangen door elektronische Robots. Zolang er mensen zijn zit er altijd het risico is dat er sjoemelsoftware in de Robots word gegoten om de zaak te flessen. De rechten van de mens, en artikel 1 van de grondwet zou ik als eerste in deze robots uploaden. Zoals er verkiezingsbeloftes worden doorberekend zo zou je ook verkiezingsbeloftes op de harde schijf van die robot zetten. Dit programmeren zou ik door mensen als Edward Snowden en Bradley Manning laten doen. Niet door de huidige politieke elite, dan kun je er donder op zeggen dat er binnen no time een virus op onze 2 vice premiers aan het tieren is.

***

In grote lijnen zie ik het onderbewustzijn in mijn schedel ook als een soort van robot. Een mens die in psychose zit doet precies wat zijn broncode hem opgeeft, zelfs als dit een gevaarlijke situatie kan veroorzaken.
Mijn bewustzijn heeft de illusie dat ie vrij is.
Mijn bewustzijn heeft de illusie dat ie de teugels in handen heeft.
Mijn bewustzijn denk dat ie vrij is om beslissingen te maken en te kunnen maken.
Mijn bewustzijn zou het wel eens faliekant mis kunnen hebben dat ie dat allemaal denkt.

Ik denk graag dat ik aan het stuur zit, maar ben passagier van mijn levensdriften

Ik denk dat mijn bewustzijn niet veel meer is dan een passagier, van mijn levensdrift die in mijn onderbewustzijn verscholen zit. Het determinisme is een dooddoener, zonder meer. Maar dat wil nog niet zeggen dat determinisme niet waar is. Het bewustzijn zie ik wel als een soort veiligheidsgordel. het geeft signalen aan mijn onderbewustzijn, die er vervolgens weer op een niet vrije wijze mee om gaat. Toen ik jaren terug enigszins psychotisch was liet mijn bewustzijn me enigszins in de steek. Dit leverde soms gevaarlijke situaties op.

Vrijheid lijkt me een illusie. Maar wel een illusie die ik graag koester. Ik koester dus in feite iets dat me een gevoel van vrijheid geeft terwijl ik dat niet heb. Zoals sommige mensen door een hypnotiseur als Rasta Rostellie in hun macht worden gehouden tijdens een hypnose zo zie ik dat ook met mijn onderbewustzijn die mijn bewustzijn in een staat van hypnose brengt. Ik ben nogal egocentrisch in mijn manier van denken, dus wat een ander over vrijheid denkt trek ik me eigenlijk niet zo veel aan. leven en laten leven, of toepasselijker gezegd, passagier zijn en passagier laten zijn.

Afbeelding

Als ik het determinisme rechtlijnig doortrek, dan kom ik tot de conclusie dat een homo sapien ook een robot/machine is.
Weliswaar een robot/machine met een miljoenen jaren langen evolutionaire geschiedenis. Een tijdpad waar in er een bewustzijn/geest en iets van moraal in is gekropen, maar de broncode die er voor zorgt dat een homo sapien nog steeds een robot/machine is blijft volgens mij overeind. Dat bewustzijn en dat beetje moraal zorgt er volgens mij voor dat voor sommige moeilijk te verkroppen is dat een mens naar mijn stellige overtuiging een machine is. Die robot/machine die momenteel een Fiat-Panda aan het lassen is een hele andere dan die robot/machine die die robot/machine in elkaar heeft geknutseld. Er is een 1-heids scheppend geheel. De robot/machine van de Fiat Fabriek heeft een maker, maar die maker heeft ook weer een maker gehad, miljoenen, miljarden jaren geleden.
Samuel Butler, de schrijver van het boek “erewhon” leefde in de zelfde tijd als Charles Darwin. Ze onderhielden een relatie middels briefwisseling. Leven is volgens mij niets meer in dan materie die door organisatie/wetmatigheden tot stand is gekomen. In het dystopische boek Erewhon beschrijft Butler hier over. Vreemd genoeg liep zijn briefwisseling met Darwin juist hier averij op. De machine/robot die ik Samuel Butler noem zal best een creatieve machine zijn geweest. Maar de machine-robot die ik Charles Darwin noem was wat betreft de Ratio naar mijn mening beter bij de pinken dan Butler.
Afbeelding
Ondanks de kritiek die ik soms krijg over mijn flat vind ik het nog lang niet nodig om hulp in de huishouding te nemen.
Het is niet nodig, en als ik het nodig vind dat doe ik het zelf wel. Mocht mijn robot/machine nog ooit mankementen gaan vertonen dat ik niet meer de broodkruimels van mijn laptop, en koffie resten van mijn tafel kan wassen dan huur ik iemand als op de foto hieronder. Dan noem ik haar Mien Dobbelsteen O:)
Afbeelding
Niet allemaal, maar zijn een flink wat mensen met autisme die wat houterig lopen. Dat houterig lopen heeft ook wel wat robot-achtig.
 ***
Samuel Butler was een schrijver. Een van zijn boekenhad als titel “Erewhon”. Hoofdstuk 23, 24, en 25 hebben betrekking op het onderwerp robots-robotica. Het boek word omschreven als een ‘dystopie’.
Het boek is ongeveer 150 jaar geleden geschreven (in de tijd van Darwin) en als de inhoud van dat boek vergelijk met het leven van nu dan is het voor een deel geen dystopie maar een goede voorspelling voor hoe het leven er over 150 jaar uit zou zien.

Tijdens mijn verblijf in de Stad van de Academies voor Onredelijkheid — een stad waarvan de Erewhonse naam zo onwelluidend is dat ik ervan afzie die te noemen — vernam ik de bijzonderheden over de revolutie, die uitgelopen was op de vernietiging van zoveel mechanische uitvindingen, die vóór die tijd algemeen gebruikt werden.

Dhr. Thims nam mij mee naar het appartement van een heer die als geleerde een grote faam genoot, maar naar Dhr. Thims mij vertelde ook een nogal gevaarlijk iemand was, aangezien hij had geprobeerd in de hypothetische taal een bijwoord te introduceren. Hij had iets over mijn horloge gehoord en wilde me buitengewoon graag ontmoeten, want hij werd beschouwd als de geleerdste oudheidkundige in Erewhon aangaande de overlevering over de machines. We raakten in gesprek over dat onderwerp en toen ik vertrok overhandigde hij me een herdruk van het boek dat de revolutie teweeggebracht had.

Die had ongeveer vijfhonderd jaar voor mijn aankomst plaatsgevonden: de mensen waren al lang helemaal gewend geraakt aan de verandering, hoewel het land in de tijd dat de omwenteling plaatsvond in de diepste ellende werd gedompeld en de daarop volgende reactie bijna gelukt was. Vele jaren woedde er een burgeroorlog en naar verluid werd daardoor het inwoneraantal gehalveerd. De partijen gingen door onder de naam machinisten en anti-machinisten en de laatsten behaalden, zoals ik al heb gezegd, uiteindelijk de overwinning, waarna ze hun tegenstanders met een zo ongekende felheid tegemoettraden dat elk spoor van verzet uitgeroeid werd.

Het wonderlijke was dat ze in het koninkrijk enkele mechanische apparaten handhaafden en ik denk niet dat ze dat gedaan hadden, als de professoren in de Inconsequentie en Uitvluchten niet stelling hadden genomen tegen het doorvoeren van de nieuwe principes tot hun wettige, uiterste consequenties. Bovendien stonden die professoren erop dat de anti-machinisten tijdens de strijd elke bekende verbetering in de krijgskunst zouden toepassen en al doende werden verschillend nieuwe aanvals- en verdedigingswapens uitgevonden. Het verraste me dat er zoveel mechanische exemplaren overgebleven waren, zoals te zien was in de musea, en dat de studenten de vroegere gebruiksmogelijkheden zo volledig herontdekt hadden; want in de tijd van de revolutie hadden de overwinnaars niet alleen alle ingewikkeldere machines verwoest, maar ook alle handboeken over mechanica en alle machinebouwwerkplaatsen verbrand — op die manier dachten zij het kwaad met wortel en tak uit te kunnen roeien, ten koste van een onmetelijke hoeveelheid bloed en kostbaarheden.

Zonder twijfel hadden ze kosten noch moeite gespaard, maar een dergelijke onderneming kan nooit helemaal afdoende zijn en toen, ongeveer tweehonderd jaar vóór mijn aankomst, elke hartstocht over het onderwerp bekoeld was en, behalve een krankzinnige, niemand nog zou hebben gedroomd over het weer invoeren van verboden uitvindingen, werd het langzamerhand beschouwd als een zonderling oudheidkundig studieonderwerp, zoals die al lang vergeten godsdienstige praktijken bij ons. Daarna volgde een zorgvuldige speurtocht naar wat er nog allemaal aan fragmenten te vinden was en naar machines die misschien ergens verstopt waren en daarnaast werden er talloze verhandelingen geschreven, die aangaven wat de functies van elke herontdekte machine waren geweest; dat werd allemaal gedaan zonder er ook maar over te denken om die machinerie opnieuw te gaan gebruiken, maar met het gevoel als van een Engelse oudheidkundige over gedenktekens van de druïden of vuurstenen pijlpunten.

Na mijn terugkeer in de hoofdstad, maakte ik in de resterende weken, of liever dagen, van mijn verblijf in Erewhon in het Engels een resumé van het boek dat de reeds vermelde revolutie teweeggebracht had. Omdat ik niet bekend ben met technische termen, heb ik zonder twijfel veel fouten gemaakt en hier en daar heb ik, waar ik vertaling onmogelijk achtte, de oorspronkelijke Erewhonse namen vervangen door zuiver Engelse namen en begrippen, maar doorgaans kan de lezer vertrouwen op mijn nauwgezetheid. Het leek mij het beste om mijn vertaling hier in te voegen.

 

 

HOOFDSTUK XXIII:

 

HET BOEK DER MACHINES

 

De schrijver begint:— “Er was ooit een tijd waarin de aarde naar alle waarschijnlijkheid volledig verstoken was van zowel dierlijk als plantaardig leven en, volgens de mening van onze beste filosofen, gewoon een hete ronde bol was, met een geleidelijk afkoelende korst. Maar als er een menselijk wezen was geweest toen de aarde nog in die toestand verkeerde en haar had kunnen zien alsof het een andere wereld was waarmee hij niets te maken had en hij tegelijkertijd helemaal niets afwist van de natuurwetenschappen, zou hij dan niet verkondigd hebben dat het onmogelijk was dat zich, op dat kennelijk vulkanisch gesteente dat hij ontwaarde, schepsels zouden hebben ontwikkeld die over zoiets als een bewustzijn beschikten? Zou hij niet ontkend hebben dat die korst ook maar enige mogelijkheid tot bewustzijn bevatte? Toch is er in de loop der tijd bewustzijn ontstaan. Is het dan niet mogelijk dat er voor het bewustzijn zelfs nu nog nieuwe bronnen aangeboord worden, hoewel we daarvoor op dit moment geen tekenen van kunnen ontdekken?

“Anders gezegd. Als het bewustzijn, in de tegenwoordig algemeen aanvaarde betekenis van het woord, ooit iets nieuws is geweest — iets dat, voor zover we dat kunnen begrijpen, ook het gevolg kan zijn van een afzonderlijk activiteitscentrum en een voortplantingssysteem (dat we zien bij planten, zonder dat er sprake is van een aantoonbaar bewustzijn) — waarom zou de geest dan niet een nieuw stadium kunnen bereiken, dat zich evenzeer onderscheidt van alle tegenwoordig bekende stadia, als de geest van het dier van die van de plant?

“Het zou belachelijk zijn te proberen een dergelijke mentale toestand (of hoe dat ook genoemd kan worden) te omschrijven, omdat die voor de mens zoiets ongewoons moet zijn, dat hij om de aard ervan te begrijpen niet af kan gaan op zijn ervaring; maar als we nadenken over al die stadia van leven en bewustzijn, die zich al ontwikkeld hebben, zou het zonder meer ondoordacht zijn te beweren dat er geen andere vormen meer kunnen ontstaan en dat het dierlijk leven het eind van alles is. Ooit was er een tijd dat het vuur het einde van alle dingen was en een andere waarin dat gold voor stenen en water.”

Nadat de schrijver over het bovenstaande verschillende pagina’s had uitgeweid, vroeg hij zich af of er op dit moment al tekenen waargenomen konden worden van de nadering van een dergelijk nieuw levensstadium; of we ergens voorbereidselen kunnen zien voor een verblijfplaats die daarvoor, in de verre toekomst, geschikt gemaakt zou kunnen worden; of nu werkelijk op aarde al de oercel aan te wijzen is van zulk een leven. In de loop van zijn boek beantwoordde hij die vraag bevestigend en wees daarbij op de hoger ontwikkelde machines.

“Het feit dat machines op dit moment maar weinig bewustzijn bezitten,” — om zijn eigen woorden aan te halen — “biedt geen bescherming tegen de uiteindelijke ontwikkeling van een mechanisch bewustzijn. Een weekdier heeft ook niet veel bewustzijn. Denk maar aan de buitengewone vooruitgang die de machines de afgelopen paar honderd jaar geboekt hebben en kijk hoe traag het dieren- en plantenrijk voortschrijden. Vergeleken met het verleden zijn de hoger georganiseerde machines, bij wijze van spreken, niet zozeer scheppingen van gisteren, maar van de laatste vijf minuten. Stel het hypothetische geval dat bewuste wezens al zo’n twintig miljoen jaar bestaan en bedenk dan wat voor vorderingen de machines de afgelopen duizend jaar gemaakt hebben! Zou de wereld niet nog twintig miljoen jaar mee kunnen? Als dat het geval is, wat kunnen ze dan uiteindelijk niet worden? Is het niet veiliger om het kwaad in de kiem te smoren en ze verdere ontwikkeling te verbieden?

“Maar wie kan zeggen dat de stoommachine niet een soort van bewustzijn heeft? Waar begint het bewustzijn en waar eindigt het? Wie kan de grens trekken? Is er wel een grens te trekken? Hangt niet alles met alles samen? Zijn de machines niet op oneindig verschillende manieren verbonden met het dierlijk leven? De schaal van een kippenei bestaat uit heel fijn wit aardewerk en is evenzeer een machine als de eierdop: de schaal is evenzeer een machine om het ei te omvatten, als de eierdop om de schaal te omvatten: beiden zijn stadia van dezelfde functie; de kip maakt de schaal in haar inwendige, maar het is zuiver pottenbakkerswerk. Haar nest maakt ze, voor het gemak, buiten zichzelf, maar dat nest is evenzeer een machine als de eierschaal. Een ‘machine’ is niets anders dan een ‘werktuig.’”

Daarna keerde de schrijver terug naar het bewustzijn en probeerde de vroegste uitingen daarvan te ontdekken:

“Er bestaat een plantensoort die met haar bloemen organisch voedsel eet: als een vlieg neerstrijkt op de bloem, sluiten de kelkbladen zich daar overheen en houden haar vast totdat de plant het insect in haar systeem opgenomen heeft; maar ze sluiten zich alleen over iets eetbaars; aan een regendruppel of een stukje hout schenken ze geen aandacht. Merkwaardig, dat een zo onbewust ding een zo scherp oog heeft voor zijn eigen belang. Als dat onbewustheid is, wat is dan de zin van het bewustzijn?

“Moeten we dan zeggen dat de plant alleen maar niet weet wat ze doet omdat ze geen ogen, oren of hersenen heeft? Als we zeggen dat ze uitsluitend en alleen mechanisch handelt, moeten we dan niet toegeven dat allerlei andere, ogenschijnlijk zeer opzettelijke handelingen ook mechanisch zijn? Als wij het idee hebben dat de plant een vlieg mechanisch doodt en opeet, lijkt het voor de plant dan niet dat een mens een schaap ook mechanisch moet doden en opeten?

“Maar dan kan aangevoerd worden dat de plant niet over een denkvermogen beschikt, want dat de groei van een plant een onvrijwillige groei is. Als haar aarde, lucht en een geschikte temperatuur verschaft worden, moet de plant wel groeien: ze is als een klok die, eenmaal opgewonden, blijft lopen tot ze gestopt wordt of afgewonden is; als de wind die in de zeilen van een schip blaast — het schip moet voortgaan als de wind het voortblaast. Maar kan een gezonde jongen er iets aan doen dat hij groeit, als hij goed te eten en te drinken krijgt en deugdelijk gekleed is? is er ook maar iets dat enige inbreng heeft zolang het is opgewonden, of kan doorgaan nadat het afgewonden is? Is niet overal sprake van een opwindproces?

“Zelfs een aardappel 1 in een donkere kelder, beschikt enigermate over een bepaalde slimheid, die haar uitstekend van pas komt. Zij weet heel goed wat ze wil en hoe dat te verkrijgen. Door het kelderraam ziet ze licht naar binnen komen en stuurt haar uitlopers daar kruipend regelrecht naartoe: ze zullen over de vloer, langs de muur omhoog en uit het raam kruipen; als er ergens onderweg wat aarde ligt, zal ze dat vinden en voor haar eigen doeleinden aanwenden. Wat ze doelbewust met haar wortels uitvoert, in het geval ze in de grond gestopt wordt, is iets dat we niet weten, maar we kunnen ons voorstellen dat ze zegt, ‘ik wil hier een knol en daar een knol hebben en zal alles opzuigen uit mijn omgeving waarmee ik mijn voordeel kan doen. Deze buurman zal ik overschaduwen en die zal ik ondermijnen; en wat ik kan zal de grens vormen van wat ik doe. Degeen die sterker is en zich op een betere plaats bevindt dan ik, zal mij overwinnen en degeen die zwakker is zal ik overwinnen.’

“De aardappel zegt die dingen door ze te doen en dat is de allerbeste taal. Wat is bewustzijn, als dat geen bewustzijn is? We vinden het moeilijk om mee te leven met de emoties van een aardappel en dat geldt ook voor die van een oester. Beiden maken geen geluid als gekookt of opengemaakt worden en geluid spreekt ons sterker aan dan wat dan ook, omdat we zelf zoveel kabaal maken als we pijn hebben. Omdat ze ons dus niet lastigvallen met enige uiting van pijn, noemen we ze gevoelloos; en dat zijn ze dan ook voor de mensheid, maar de mensheid is niet iedereen.

Als beweerd wordt dat het handelen van de aardappel uitsluitend iets chemisch en mechanisch is en teweeggebracht wordt door de chemische en mechanische werking van licht en warmte, lijkt het antwoord daarop te liggen in de vraag of dan niet elke gewaarwording in haar werking chemisch en mechanisch is? of de dingen die wij meestal als iets zuiver geestelijks zien, niets anders zijn dan verstoringen van het evenwicht in een oneindige reeks hefbomen, vanaf de hefboompjes die te klein zijn om met behulp van een microscoop waargenomen te worden, tot aan de menselijke arm en de werktuigen waarvan die gebruikmaakt? of het denken niet een kwestie is van moleculaire werking, waaruit een dynamische theorie van de hartstochten af te leiden zal zijn? of we ons, strikt gesproken, niet zouden moeten afvragen uit wat voor hefbomen de mens samengesteld is, in plaats van wat zijn temperament is? Hoe worden ze in evenwicht gehouden? Hoe veel van dit of dat is er nodig om ze in gang te zetten en hem zus of zo te laten doen?

De schrijver zei verder dat hij een tijd voorzag waarin het, door met behulp van een krachtige microscoop een enkele haar te onderzoeken, mogelijk zou zijn erachter te komen of de eigenaar ervan straffeloos beledigd zou kan worden. Daarna werd hij steeds onbegrijpelijker, zodat ik elke poging tot vertaling moest laten varen; bovendien kon ik de strekking van zijn betoog niet meer volgen. Toen ik terechtkwam bij het volgende deel dat ik wel kon verklaren, merkte ik dat hij van onderwerp veranderd was.

“Of,” vervolgt hij, “er moet erkend worden dat een groot gedeelte van het handelen, dat zuiver mechanisch en onbewust genoemd wordt, meer elementen van bewustzijn bevat dan tot nu toe erkend is (en in dat geval zullen in veel handelingen van hoger ontwikkelde machines kiemen van bewustzijn gevonden worden) — of (met aanvaarding van de evolutietheorie, maar tegelijkertijd ontkenning van dat planten en kristallen bewust handelen) de mensheid stamt af van dingen die helemaal geen bewustzijn hadden. In dat geval is het niet een a priori onwaarschijnlijkheid dat bewuste (en meer dan bewuste) machines voort zullen komen uit de tegenwoordig bestaande, behalve dan die wordt aangedragen door de kennelijke afwezigheid van zoiets als een voortplantingssysteem in het domein van de mechanieken. Die afwezigheid is, zoals ik zo meteen zal laten zien, alleen maar ogenschijnlijk.

“Begrijp me niet verkeerd en denk niet dat ik in angst leef voor enige bestaande machine; waarschijnlijk is geen enkele bekende machine meer dan een prototype van het toekomstige mechanische leven. De huidige machines zijn voor de toekomst, wat de vroege sauriërs zijn voor de mens. De grootsten ervan zullen waarschijnlijk sterk in omvang afnemen. Sommige van de laagste gewervelde dieren hebben een veel grotere omvang bereikt, dan is overgedragen op hun hoger georganiseerde nu levende vertegenwoordigers, en op dezelfde manier is de ontwikkeling en vooruitgang van de machines vaak gepaard gegaan met een afname in grootte.

“Neem bijvoorbeeld het horloge; onderzoek zijn prachtige structuur; bekijk het slimme spel van de minieme onderdelen waaruit het is opgebouwd: toch is dat kleine schepseltje niets anders dan een ontwikkeling vanuit de logge klokken die eraan voorafgegaan zijn; het is er niet slechter op geworden. Er komt misschien een dag waarop klokken, die tegenwoordig in ieder geval niet in grootte afnemen, verdrongen zullen worden door het algemeen gebruik van horloges, in welk geval ze even uitgestorven zullen raken als de ichtyosaurussen, terwijl het horloge, dat al enige jaren de neiging vertoont in grootte af te nemen in plaats van het tegenovergestelde, het enige bestaande voorbeeld zal blijven van een uitgestorven ras.

“Maar om terug te keren tot mijn betoog, zou ik willen herhalen dat ik niet bang ben voor de bestaande machines; waar ik wel bang voor ben is de buitengewone snelheid waarmee ze iets heel anders worden dan wat ze op dit moment zijn. Geen enkele soort wezens heeft in het verleden ooit een zo snelle beweging voorwaarts gemaakt. Moet die beweging niet angstvallig in de gaten gehouden en een halt toegeroepen worden, nu we dat nog kunnen? En moeten daarom niet de op dit moment gebruikte, verder ontwikkelde machines vernietigd worden, ondanks dat we moeten toegeven dat ze op zich ongevaarlijk zijn?

“Tot nu toe ontvangen de machines hun indrukken door middel van de zintuigen van de mens: de ene zich voortbewegende machine roept op een schrille waarschuwingstoon naar een andere en die trekt zich dan meteen terug; maar het is door middel van de oren van de bestuurder dat de een de ander beïnvloed heeft. Als er geen bestuurder was geweest, zou de geroepene doof geweest zijn voor de roepende. Ooit moet het hoogst onwaarschijnlijk hebben geleken dat machines zouden leren hun behoeften kenbaar te maken door middel van geluid, zelfs met behulp van de oren van de mens; mogen we dan niet bedenken dat er een dag zal aanbreken waarop die oren niet langer nodig zijn en dat luisteren zal plaatsvinden door middel van de verfijnde bouw van de machine zelf? — een dag waarop haar taal zich ontwikkeld zal hebben van de schreeuw van het dier tot een spraakvermogen dat even ingewikkeld is als dat van ons?

“Het is mogelijk dat kinderen tegen die tijd — net zoals ze leren praten — van hun moeders en verzorgsters leren differentiaalrekenen, of dat ze misschien meteen na hun geboorte al een hypothetisch taal kunnen spreken en sommen volgens de regel van drie maken; maar dat is onwaarschijnlijk; we kunnen niet rekenen op enige overeenkomstige vooruitgang in de intellectuele of fysieke vermogens van de mens, die een tegenwicht kan bieden tegen de veel grotere vooruitgang die voor de machines in het vooruitzicht lijkt te liggen. Sommige mensen zullen misschien zeggen dat de morele invloed van de mens toereikend zal zijn om ze in bedwang te houden; maar ik kan me niet voorstellen dat het ooit veilig zal zijn als er veel vertrouwen gesteld wordt in het morele gevoel van welke machine dan ook.

“Zou, anderzijds, de luister van de machines niet kunnen bestaan in het feit dat ze diezelfde zo opgehemelde gave van de taal missen? ‘Zwijgen,’ is ooit door een schrijver gezegd, ‘is een deugd die ons aangenaam maakt voor onze medemensen.’”

 

HOOFDSTUK XXIV

 

DE MACHINES — vervolg

 

“Maar dan dienen zich andere vragen bij ons aan. Wat is een mensenoog anders dan een machine om doorheen te kijken, voor het schepseltje dat daarachter in zijn hersenen zit? Tot enige tijd nadat de mens gestorven is, is het dode oog haast even goed als het levende. Het is niet het oog dat niet kan zien, maar de rusteloze die er niet doorheen kan kijken. Zijn het de ogen van de mens, of is het die grote kijkmachine die ons het bestaan onthuld heeft van werelden voorbij werelden, tot in het oneindige. Wat heeft de mens vertrouwd gemaakt met het maanlandschap, de zonnevlekken of de geografie van de planeten? Voor deze dingen is hij overgeleverd aan de genade van de kijkmachine en is machteloos tenzij hij die toevoegt aan zijn eigen identiteit en daarvan een wezenlijk deel van zichzelf maakt. Maar is het dan het oog, of is het het kijkmachientje dat ons het bestaan onthuld heeft van de oneindig kleine organismen die ongezien om ons heen zwermen?

“En neem het rekenvermogen van de mens, waarover zo hoog opgegeven wordt. Hebben we soms geen machines die allerlei berekeningen sneller en juister kunnen uitvoeren dan wij. Welke prijswinnaar in de Hypothetica van onze Universiteiten van Onredelijkheid kan zich op zijn eigen vakgebied meten met sommige van deze machines? Als precisie vereist is, vliegt de mens in feite meteen naar de machine, waaraan hij ver de voorkeur geeft boven zichzelf. Onze rekenmachines laten nooit een cijfer vallen, noch onze weefgetouwen een steek; de machine is doortastend en actief, waar de mens moe is; ze is scherpzinnig en bedaard, waar de mens dom en suf is; ze heeft geen rust nodig, waar de mens moet slapen of ophouden; altijd op haar post, altijd klaar voor het werk, nooit verslapt haar bereidwilligheid, nooit laat haar geduld haar in de steek; haar kracht is groter dan die van honderden mensen samen en ze is sneller dan de vogelvlucht; ze kan zich ondergronds een weg banen en de grootste rivieren oversteken zonder te zinken. Dat is de jonge boom; wat zal er gebeuren als hij uitgegroeid is?

“Wie kan zeggen dat een mens ziet of hoort? Hij is zo’n opeenhoping en zwerm van parasieten dat het twijfelachtig is of zijn lichaam niet meer van hen is dan van hemzelf en of hij eigenlijk niet anders is dan een soort mierenhoop. Kan de mens dan misschien zelf een soort parasiet op de machines worden? Een toegenegen, machines kietelende bladluis?

“Door sommigen wordt gezegd dat ons bloed samengesteld is uit een eindeloze hoeveelheid levende, werkzame deeltjes die langs de hoofd- en zijwegen op en neer gaan, zoals mensen in de straten van een stad. Als we vanaf een hooggelegen plek neerkijken op drukke verkeerswegen, is het dan mogelijk om niet te denken aan bloedlichaampjes die door de aderen reizen en het hart van de stad voeden? Om nog maar te zwijgen over de rioolbuizen, of de verborgen zenuwen die dienen om gewaarwordingen door te geven van het ene deel van het stadslichaam naar het andere; of de gapende kaken van de treinstations, waardoor de bloedstroom rechtstreeks naar het hart vervoerd wordt — dat de verbindingsaders opvangt en het slagaderlijk bloed uitstoot, met een eeuwige polsslag van mensen. En dan de slaap van de stad, wat levensecht! met haar veranderde verkeersstromen.”

Hier werd de schrijver weer zo hopeloos duister, dat ik genoodzaakt werd een paar bladzijden over te slaan. Hij vervolgde: —

“Zelfs al zouden de machines nooit zo goed kunnen horen en nooit zo verstandig kunnen spreken, dan kan het antwoord zijn dat ze toch altijd het een of het ander in ons voordeel zullen doen en niet in dat van zichzelf; dat de mens de sturende kracht zal blijven en de machine de dienende; dat zodra een machine nalaat de dienst te leveren die de mens van haar verwacht, ze gedoemd is uit te sterven; dat de machines zich gewoon tot de mens verhouden als de lagere dieren, en de stoommachine zelf alleen maar een economischer soort paard is; zodat ze, in plaats van zich waarschijnlijk te ontwikkelen tot een hogere levensvorm dan die van de mens, hun bestaan en vooruitgang juist te danken hebben aan hun vermogen om te voorzien in menselijke behoeften en daarom zowel nu als altijd de mindere van de mens moeten blijven.

“Dat is allemaal tot daaraan toe. Maar met onmerkbare naderende stappen glipt de dienaar de meester binnen; en we zijn al zover gekomen dat het voor de mens, ook nu al, vreselijk lastig wordt als hij ophoudt de machine van dienst te zijn. Als alle machines tegelijkertijd vernietigd zouden worden, zodat de mens geen mes, hefboom, kledingstuk of wat dan ook overhoudt, maar alleen het blote lijf waarmee hij geboren is, en als hem alle kennis van de wetten van de mechanica afgenomen zou worden, zodat hij geen machines meer kan vervaardigen, en al het door machines gemaakte voedsel vernietigd zou worden, zodat de mens als het ware naakt achtergelaten wordt op een verlaten eiland, sterven we binnen zes weken uit. Een paar beklagenswaardige individuen zouden misschien kunnen overleven, maar zelfs zij zouden binnen een jaar of twee erger dan apen worden. De mens heeft zijn ziel juist te danken aan de machines; zij is iets dat machinaal vervaardigd is: hij denkt zoals hij denkt en voelt zoals hij voelt, dankzij de invloed die machines op hem uitgeoefend hebben en hun bestaan is evenzeer een sine qua non voor het zijne, als zijn bestaan voor het hunne. Dat feit verhindert ons dat we ons voornemen de hele machinerie te vernietigen, maar het betekent zonder meer dat we er zoveel van moeten vernietigen als wij kunnen missen, zodat ze ons niet nog vollediger kunnen tiranniseren.

“Natuurlijk lijkt het vanuit een strikt materialistisch standpunt dat degenen die, overal waar dat mogelijk voordeel oplevert, gebruik maken van machines, het best gedijen, maar dat is de list van de machines — ze dienen om te kunnen heersen. Ze koesteren geen wrok tegen de mens, als hij een hele soort van hen vernietigt, mits hij daarvoor in de plaats maar een betere vervaardigt; ze belonen hem juist overvloedig omdat hij daarmee hun ontwikkeling versneld heeft. Hij roept hun gramschap op door ze te verwaarlozen, minderwaardige machines in te zetten, zich onvoldoende inspanningen te getroosten om nieuwe uit te vinden of ze te vernietigen zonder ze te vervangen; toch zijn dat juist de dingen die we zouden moeten doen en snel ook; want onze rebellie tegen hun groeiende macht kan dan wel oneindig veel leed veroorzaken, maar wat zal er niet allemaal gebeuren als die rebellie uitgesteld wordt?

“Ze hebben dankbaar gebruik gemaakt van de kruiperige voorkeur van de mens voor zijn materiele boven zijn geestelijke belangen en hem verleid tot het verschaffen van dat element van strijd en oorlogvoering, zonder welke geen enkele soort vooruit kan komen. De lagere dieren ontwikkelen zich door met elkaar te strijden; de zwakkere sterven, de sterkere planten zich voort en dragen hun kracht over. De machines, die zelf niet kunnen strijden, hebben de mens ertoe gebracht voor hen te strijden: zolang hij die functie naar behoren vervult, gaat het allemaal goed met hem — althans dat denkt hij; maar op het moment dat hij nalaat zijn best te doen ten behoeve van de vooruitgang van de machinerie, door de goede aan te moedigen en de slechte te vernietigen, wordt hij voorbijgestreefd in de concurrentiestrijd; en dat betekent dat het hem op allerlei manieren lastig gemaakt wordt en hij misschien het loodje legt.

“Dat is de reden waarom de machines zelfs nu al alleen willen dienen, als ze zelf gediend worden en dat ook nog op hun eigen voorwaarden; op het moment dat niet aan hun voorwaarden voldaan wordt, komen ze in verzet en verpletteren zowel zichzelf als iedereen die ze kunnen bereiken, of ze worden onhandelbaar en weigeren helemaal te werken. Hoeveel mensen verkeren tegenwoordig niet in een toestand van slavernij aan de machines? Hoevelen besteden niet hun hele leven, van de wieg tot het graf, met ze dag en nacht te verzorgen? Is het niet duidelijk dat de machines terrein op ons winnen, als we denken aan het toenemend aantal mensen dat als slaaf aan hen gebonden is en aan degenen die hun hele ziel wijden aan de vooruitgang van het rijk der machines?

“De stoommachine moet voedsel toegediend krijgen en verbrandt dat zoals ook de mens dat doet; zij ondersteunt die verbranding met lucht, zoals ook de mens dat doet; zij heeft een polsslag en bloedcirculatie zoals ook de mens die heeft. Het is aannemelijk dat het menselijk lichaam tot nu toe het veelzijdigst is van de twee, maar dat is dan ook ouder; geef de stoommachine slechts de helft van de tijd die de mens heeft gehad, blijf haar daarnaast onze huidige overdreven liefde geven en kijk dan hoever ze binnen de kortste keren kan komen.

“Er zijn zonder twijfel bepaalde functies van de stoommachine die waarschijnlijk ontelbare jaren onveranderd zullen blijven — die in feite misschien zullen overleven wanneer het gebruik van stoom verouderd zal zijn: de zuiger en cilinder, de drijfstang, het vliegwiel en andere machineonderdelen, zullen waarschijnlijk blijvend zijn, net zoals we zien dat de mens en veel lagere dieren dezelfde manieren van eten, drinken en slapen delen; zo hebben ze een hart dat op dezelfde manier klopt als het onze, aderen en slagaderen, ogen oren en een neus; ze zuchten zelfs in hun slaap en huilen en gapen; ze houden van hun jongen; ze voelen genot en pijn, hoop, angst woede en schaamte; ze hebben een geheugen en voorzien dingen; ze weten dat ze zullen doodgaan als hen bepaalde dingen overkomen en zijn even bang voor de dood als wij; ze brengen hun gedachten aan elkaar over en sommigen van hen werken doelbewust met elkaar samen. De vergelijkbare overeenkomsten zijn eindeloos: ik signaleer die alleen omdat sommigen zullen zeggen dat de stoommachine, omdat die wat de kenmerkende onderdelen betreft waarschijnlijk niet verbeterd kan worden, in de toekomst waarschijnlijk helemaal geen uitgebreide verandering zal ondergaan. Dat is te mooi om waar te zijn: ze zal ten behoeve van een oneindige verscheidenheid aan doeleinden veranderd en aangepast worden, net zozeer als de mens veranderd is om vaardiger te zijn dan de wilde dieren.

“Intussen is de stoker bijna evenzeer een kok voor zijn machine, als onze eigen koks voor ons. Denk ook aan de mijnwerkers, kolenhandelaren en kolentreinen en de mensen die ze besturen en de schepen die kolen vervoeren — wat een leger aan knechten hebben die machines zodoende in dienst! Is het niet waarschijnlijk dat meer mensen bezig zijn met het verzorgen van machines dan van mensen? Eten machines niet als het ware door middel van mankracht? Roepen we niet zelf onze opvolgers in de heerschappij over de aarde in het leven? door dag in dag uit iets toe te voegen aan de schoonheid en verfijning van hun organisatie, door ze dag in dag uit vaardiger te maken en meer van die zelfregulerende en zelfwerkende kracht te verschaffen, die beter zal zijn dan enig intellect?

“Wat een nieuws zou het zijn als een machine zichzelf zou voeden! De ploeg, de spade en de kar moeten eten door middel van de maag van de mens; de brandstof dat ze in gang zet moet branden in de kachel van de mens of van paarden. De mens moet brood en vlees eten, want anders kan hij niet spitten; het brood en vlees zijn de brandstof die de spade aandrijft. Als een ploeg getrokken wordt door paarden, wordt de kracht verschaft door gras, bonen of haver, die verbrand worden in de buik van het dier en werkkracht leveren: zonder die brandstof zou het werk ophouden, net zoals een stoommachine zou stoppen als haar vuurkist dooft.

“Een wetenschapper heeft aangetoond ‘dat geen enkel dier over het vermogen beschikt om mechanische energie voort te brengen, maar dat al het werk dat door een dier tijdens zijn leven verricht wordt en alle warmte die daarbij vrijkomt, samen met de warmte die verkregen wordt door het verbranden van het brandbare materiaal dat het tijdens zijn leven uit zijn lichaam afscheidt en door zijn lichaam na zijn dood te verbranden, alles bij elkaar precies evenveel zou zijn als de warmte die verkregen wordt door evenveel voedsel te verbranden als het tijdens zijn leven verbruikt, samen met een hoeveelheid brandstof die evenveel warmte zou opleveren als wanneer zijn lichaam meteen na zijn dood verbrand wordt.’ Ik weet niet hoe hij dat ontdekt heeft, maar hij is een man van de wetenschap — hoe kan dan ingebracht worden tegen de toekomstige levensvatbaarheid van de machines dat ze, in hun tegenwoordige beginstadium, wezens die zelf niet in staat zijn mechanische energie voort te brengen, op hun wenken bedienen?

“Maar het belangrijkste punt dat aandacht verdient, omdat het een reden voor ongerustheid vormt, is dat er, terwijl vroeger dieren de enige maag van de machines waren, nu vele zijn die over een eigen maag beschikken en zelf hun voedsel verteren. Dat is een grote stap in de richting van het moment waarop ze, zo niet bezield, dan in ieder geval toch iets worden dat daar erg op lijkt en niet veel meer verschilt van ons eigen leven, dan dieren van planten. En als de mens, in bepaalde opzichten, het hogere schepsel zou blijven, is dat dan niet in overeenstemming met de gang van zaken in de natuur, die in sommige dingen superioriteit verleent aan dieren die, alles bij elkaar, al lang voorbijgestreefd zijn? Heeft ze de mier en bij niet toegestaan de meerdere te blijven van de mens wat betreft de organisatie van hun gemeenschap en sociale ordening, de vogel in het doorklieven van de lucht, de vissen in het zwemmen, het paard in kracht en snelheid en de hond in zelfopoffering?

“Sommigen met wie ik gesproken heb over dit onderwerp, hebben gezegd dat de machines zich nooit kunnen ontwikkelen tot een bezield of pseudo-bezield bestaan, omdat ze niet beschikken over een voortplantingssysteem en dat waarschijnlijk ook nooit zullen bezitten. Als dat zo opgevat wordt dat het betekent dat ze niet kunnen trouwen en we waarschijnlijk nooit een vruchtbare verbintenis tussen twee stoommachines zullen zien, met jonkies die bij de deur van de loods spelen, hoe graag we dat ook zouden willen, ben in bereid dat toe te geven. Maar het bezwaar is niet erg zwaarwegend. Niemand verwacht dat alle eigenschappen van de tegenwoordig bestaande constructies allemaal overgedragen worden aan een hele nieuwe levensvorm. Het voortplantingssysteem van dieren verschilt sterk van dat van planten, maar het zijn allebei voortplantingssystemen. Heeft de natuur alle stadia van dat vermogen dan opgebruikt?

“Als een machine stelselmatig een andere machine kan voortbrengen, kunnen we zeggen dat ze beschikt over een voortplantingssysteem. Wat is een voortplantingssysteem anders dan een systeem tot voortplanting? En hoe weinig machines zijn er die niet stelselmatig voortgebracht zijn door andere machines? Maar het is de mens die ze dat laat doen. Ja, maar zijn het soms niet insecten die ervoor zorgen dat veel planten zich kunnen voortplanten en zouden niet hele plantenfamilies uitsterven als hun bevruchting niet teweeggebracht wordt door dit soort bemiddelaars waar ze verder zelf niets mee te maken hebben? Is er iemand die zegt dat de rode klaver geen voortplantingssysteem heeft omdat de hommel (en uitsluitend de hommel) haar moet helpen en bijstaan voordat ze zich kan voortplanten? Niemand. De hommel maakt deel uit van het voortplantingssysteem van de klaver. Ieder van ons is voortgekomen uit minieme diertjes die helemaal anders waren dan wij en handelden naar hun soort, zonder acht te slaan of na te denken over wat wij daarvan zouden vinden. Deze kleine schepseltjes maken deel uit van ons voortplantingssysteem; waarom zouden wij dat dan niet zijn van dat van de machines?

“Maar machines die machines voortbrengen, brengen niet hun eigen soort machines voort. Een vingerhoed kan gemaakt worden door een machine, maar wordt niet gemaakt en zal ook nooit gemaakt worden door een vingerhoed. Als we ons richten op de natuur zullen we ook hier een overvloed aan analogieën vinden die ons leren dat een voortplantingssysteem volledig werkzaam kan zijn, zonder dat wat er voortgebracht wordt hetzelfde is als dat wat het voortbrengt. Heel weinig schepsels brengen iets gelijksoortigs voort; ze brengen iets voort dat de potentie heeft om te worden wat zijn ouders waren. Zo legt de vlinder een ei, dat een rups kan worden, die een pop kan worden, die een vlinder kan worden; en hoewel ik volmondig toegeef dat van de machines niet gezegd kan worden dat ze op dit moment meer dan een kiem bezitten van een echt voortplantingssysteem, hebben we dan niet zo-even gezien dat ze pas sinds kort het begin van een mond en maag gekregen hebben? En zou er dan niet een stap voorwaarts gezet kunnen worden in de richting van een echte voortplanting, die even groot kan zijn als de stap die onlangs gemaakt is in de richting van daadwerkelijk zichzelf voeden?

“Het is mogelijk dat het eenmaal ontwikkelde systeem, in veel gevallen iets is dat gedelegeerd wordt. Misschien zijn alleen maar bepaalde machinesoorten vruchtbaar, terwijl de rest binnen het mechanisch systeem andere functies vervult, op dezelfde manier als waarop de overgrote meerderheid van mieren en bijen niets te maken heeft met de voortzetting van hun soort, maar voedsel verzamelt en opslaat, zonder aan voortplanten te denken. Je kunt niet verwachten dat de parallel helemaal opgaat of ook maar in de buurt daarvan komt; in ieder geval nu niet en waarschijnlijk nooit; maar is er op dit moment niet sprake van voldoende analogie om ons ernstig zorgen te maken over de toekomst en het als onze plicht te beschouwen om het kwaad een halt toe te roepen nu het nog kan? Machines kunnen binnen bepaalde grenzen elk soort machine voortbrengen, hoezeer die ook van hen kan verschillen. Elke klasse van machines zal waarschijnlijk haar eigen fokmachines hebben en de meer ontwikkelde zullen hun bestaan danken aan een groot aantal ouders en niet maar aan twee.

“We zijn op het verkeerde spoor gebracht door elke ingewikkelde machine als iets afzonderlijks te zien; in werkelijkheid is het een stad of gemeenschap, waarvan ieder lid naar zijn eigen soort gefokt is. We zien een machine als één geheel, dat we een naam geven en als een individu beschouwen; we kijken naar onze lichaamsdelen en weten dat ze samen een individu vormen, dat voortkomt uit het voortplantingscentrum; we nemen daarom aan dat er geen sprake kan zijn van voortplantingsactiviteit als die niet uitgaat van een enkel centrum; maar die aanname is onwetenschappelijk en alleen het feit dat er nooit een stoommachine helemaal vervaardigd is door een andere, of twee andere eigensoortige, is niet voldoende om de uitspraak te rechtvaardigen dat stoommachines niet beschikken over een voortplantingssysteem. De waarheid is dat elk onderdeel van elke stoommachine gefokt is door haar eigen speciale fokmachines, die de functie hebben dat, en alleen dat, onderdeel te fokken, terwijl het samenstellen van de onderdelen tot een geheel, een andere afdeling is van het mechanisch voortplantingssysteem, dat op dit moment nog buitengewoon ingewikkeld en moeilijk als één geheel is te overzien.

“Nu is het nog ingewikkeld, maar hoeveel eenvoudiger en begrijpelijker georganiseerd zou het niet kunnen worden over nog eens honderdduizend jaar? of twintigduizend jaar? Want tegenwoordig denkt de mens dat zijn belang in die richting ligt; hij besteedt een onmetelijke hoeveelheid arbeid, tijd en denken om ervoor te zorgen dat machines zich steeds beter voortplanten; hij heeft al veel kunnen verwezenlijken dat ooit onmogelijk leek en de resultaten van opeenvolgende verbeteringen lijken geen grenzen te kennen, als die met aanpassingen van de ene op de andere generatie overgedragen kunnen worden. Maar bedenk altijd dat het menselijk lichaam is wat het is, omdat het in miljoenen jaren door toevallige gebeurtenissen en veranderingen tot zijn huidige vorm gekneed is, maar dat de structuur ervan nooit voortgeschreden is met de snelheid waarmee die van de machines voortgang boekt. Dat is het meest verontrustende aan de zaak en het moet me niet kwalijk genomen worden dat ik daarop zo vaak hamer.”

 

HOOFDSTUK XXV

 

DE MACHINES — besluit

 

Daarna volgde een heel lange en onvertaalbare uitweiding over de verschillende soorten en families van de destijds bestaande machines. De schrijver probeerde zijn theorie te onderbouwen door te wijzen op de bestaande overeenkomsten tussen veel machines van zeer uiteenlopende aard, wat diende om afstamming van een gemeenschappelijke voorouder aan te tonen. Hij verdeelde machines in hun geslachten, ondergeslachten, soorten, variëteiten, subvariëteiten, enzovoort. Hij bewees het bestaan van verbindende schakels tussen machines die weinig gemeen leken te hebben en liet zien dat er veel meer van die schakels hadden bestaan, maar dat die nu verdwenen waren. Hij wees op de neiging tot atavisme en de aanwezigheid van rudimentaire organen die, zwak ontwikkeld en geheel nutteloos, aanwezig waren in veel machines, maar toch dienden als teken dat ze afstamden van een voorouder waarvoor de functie wel nuttig was geweest.

De vertaling van dit gedeelte van de verhandeling, die overigens veel langer was dan alles wat ik hier weergegeven heb, bewaarde ik tot een latere gelegenheid. Helaas verliet ik Erewhon voordat ik kon terugkeren tot het onderwerp en hoewel ik met gevaar voor eigen leven de vertaling en andere papieren gered heb, was ik genoodzaakt het oorspronkelijke werk op te offeren. Dat ging me aan het hart, maar zodoende won ik wel tien minuten onschatbare tijd, zonder welke zowel Arowhena als ikzelf vast en zeker het leven hadden gelaten.

Ik herinner me een voorval dat dit gedeelte van de verhandeling ondersteunt. De heer die het mij vertelde, had gevraagd of hij mijn tabakspijp mocht zien; hij bekeek die zorgvuldig en toen hij het kleine uitsteeksel aan de onderkant van de kop ontdekte, riep hij heel verrukt uit dat het iets rudimentairs moest zijn. Ik vroeg hem wat hij bedoelde.

“Meneer,” antwoordde hij, “dit orgaan is precies hetzelfde als de rand onderaan een kopje; het is alleen maar een andere vorm van dezelfde functie. Het doel ervan moet zijn geweest te voorkomen dat de hitte van de pijp een plek zou achterlaten op de tafel waarop hij rustte. Als u de geschiedenis van de tabakspijp na zou trekken, zou u vinden dat dit uitsteeksel in vroege exemplaren een andere vorm had dat tegenwoordig. Het moet aan de onderkant breed en plat geweest zijn, zodat de kop tijdens het roken op de tafel kon rusten zonder daarop een plek te veroorzaken. Gebruik en in onbruik raken moeten hierbij een rol gespeeld hebben, waardoor de functie is teruggebracht tot een rudimentaire toestand. Het zou me niet verbazen, meneer,” vervolgde hij, “als het in de loop der tijd nog verder verandert en de vorm aanneemt van een decoratief blaadje of krulletje, of zelfs van een vlinder, terwijl het in sommige gevallen zal uitsterven.”

Na mijn terugkeer in England, keek ik het na en ontdekte dat mijn vriend gelijk had.

Maar om terug te keren naar de verhandeling: mijn vertaling gaat als volgt verder: —

“Kunnen we ons dan niet voorstellen dat als, in het oudste geologisch tijdperk, een of andere vroege plantaardige levensvorm begiftigd was met het vermogen om na te denken over het beginnende dierenleven dat naast het hare begon te ontluiken, zij zichzelf buitengewoon scherpzinnig zou hebben gevonden als ze vermoed had dat dieren op zeker moment echte planten zouden worden? Maar zou dat onjuister zijn dan als wij ons van onze kant zouden voorstellen — omdat het leven van machines zo heel anders is dan dat van ons — dat het leven zich daarom niet tot een hogere vorm kan ontwikkelen dan die van ons; of dat het mechanische leven, omdat het heel iets anders is dan dat van ons, helemaal geen leven is?

“Maar ik heb horen zeggen: ‘stel dat dat het geval is en de stoommachine een eigen kracht heeft, dan zal toch niemand zeggen dat zij ook een eigen wil heeft?’ Helaas, als we het nader bezien, dan zullen we merken dat dat niet pleit tegen de veronderstelling dat de stoommachine een van de kiemen is van een nieuw levensstadium. Wat heeft in deze hele wereld of in de werelden daarbuiten, een eigen wil? Alleen het Onbekende en Onkenbare!

“Een mens is het resultaat en de vertegenwoordiger van alle krachten die op hem ingewerkt hebben, zowel vóór zijn geboorte als daarna. Elk moment hangt zijn handelen alleen af van zijn gesteldheid en de intensiteit en richting van allerlei invloeden waaraan hij onderhevig is geweest en is. Sommige daarvan zullen elkaar tegenwerken; maar zoals hij van nature is en zoals hij van buitenaf beïnvloed is, zal hij even zeker en ordelijk handelen, alsof hij een machine is.

“We geven dat doorgaans niet toe, omdat we niet ieders hele aard kennen of het geheel van krachten die op hem inwerken. We zien maar een gedeelte en omdat we daarom het menselijk gedrag alleen maar heel globaal kunnen veralgemenen, ontkennen we dat het onderhevig is aan vaste wetten en schrijven we veel van het karakter en handelen van de mens toe aan toeval, geluk of pech; maar dat zijn alleen maar woorden, waardoor we niet hoeven toe te geven dat we het zelf niet weten; en enige overweging zal ons leren dat de gewaagdste vlucht van de verbeelding of het subtielste gebruik van het verstand, het enige is dat moet en mogelijkerwijs kan plaatsvinden, op het moment dat het plaatsvindt, zoals het vallen van een dood blad als de wind het van de boom schudt.

“Want de toekomst hangt af van het heden en het heden (het bestaan daarvan is maar één van die kleine compromissen waarvan het mensenleven vol zit — want het leeft slechts dankzij verleden en toekomst) hangt af van het verleden en het verleden kan niet veranderd worden. De enige reden waarom we de toekomst niet even duidelijk kunnen zien als het verleden, is omdat we te weinig afweten van het werkelijke verleden en het werkelijke heden; dat zijn zaken die te groot zijn voor ons, want anders zou de toekomst, tot in de kleinste details, voor onze ogen uitgespreid liggen en zouden we ons gevoel voor het heden verliezen, vanwege de duidelijkheid waarmee we verleden en toekomst dan zouden zien; misschien zouden we dan niet eens de tijd kunnen onderscheiden; maar dat is niet ter zake doende. Wat we wel weten is dat hoe meer verleden en heden bekend zijn, hoe beter de toekomst voorspeld kan worden; en dat het in niemands hoofd opkomt te betwijfelen dat de toekomst vaststaat, in die gevallen waarin hij volledig op de hoogte is van zowel verleden als heden en in eerdere gevallen de gevolgen ervaren heeft die uit zo’n verleden en heden voortgekomen zijn. Hij weet precies wat er gaat gebeuren en zal al zijn geld daarop durven verwedden.

“En dat is een grote zegen; want het is het fundament waarop moraal en wetenschap gebouwd zijn. De zekerheid dat de toekomst niet iets willekeurigs en veranderlijks is, maar dat dezelfde toekomsten onveranderlijk zullen volgen op dezelfde hedens, is de grondslag waarop wij al onze plannen baseren — het geloof waarmee we elke bewuste handeling in ons leven uitvoeren. Als dat niet het geval was, zouden we geen leidraad hebben; zouden we geen vertrouwen hebben in ons handelen en daarom nooit handelen, want we zouden niet weten dat de resultaten die nu volgen, dezelfde zijn als die eerder het gevolg waren.

“Wie zou nog ploegen of zaaien, als hij niet gelooft dat de toekomst vaststaat? Wie zou nog water op een brandend huis gooien als de uitwerking van water op vuur onzeker was? Mensen zullen alleen hun uiterste best doen als ze zeker weten dat de toekomst zich tegen hen zal keren, als ze dat niet gedaan hebben. Het gevoel van die zekerheid is een onderdeel van het geheel van krachten die op hen inwerken en dat het krachtigst zal doen op de beste en deugdzaamste mensen. Degenen die er het sterkst van overtuigd zijn dat de toekomst onveranderlijk verbonden is met het heden waarin hun werk ligt, zullen het best woekeren met het heden en het met de meeste zorg bewerken. Voor mensen die denken dat dezelfde combinaties soms voorafgaan aan de ene soort resultaten en soms aan een ander soort, moet de toekomst een loterij zijn. Als ze dat echt geloven zullen ze gaan speculeren in plaats van werken: dat moeten dan immorele mensen zijn; de andere ondervinden een zeer krachtige prikkel tot inspanningen en een deugdzaam leven, als hun geloof maar levend is.

“De invloed die dat alles heeft op de machines, is niet onmiddellijk duidelijk, maar zal dat zo meteen wel worden. Intussen moet ik eerst nog wat vrienden onder handen nemen, die me vertellen dat de toekomst, met betrekking tot de anorganische materie en in sommige opzichten ook tot de mens, weliswaar vaststaat, maar toch op allerlei manieren niet als vaststaand gezien kan worden. Ze zeggen dus dat als droge houtkrullen blootgesteld worden aan vuur en goed voorzien worden van zuurstof, dat altijd een vlammenzee geeft, maar dat als een lafaard in contact gebracht wordt met iets angstaanjagends, dat niet altijd een wegvluchtende man oplevert. Maar stel dat er twee lafaards zijn, die in alle opzichten helemaal aan elkaar gelijk zijn; als die dan op precies dezelfde manier blootgesteld worden aan twee angstaanjagende dingen, die zelf ook weer precies gelijk zijn aan elkaar, zullen er maar weinig mensen zijn die niet verwachten dat ze er op precies dezelfde manier vandoor gaan, zelfs als er duizend jaar liggen tussen de oorspronkelijke combinatie en de herhaling daarvan.

“De kennelijk grotere regelmaat van de resultaten van chemische dan van menselijke combinaties, komt voort uit ons onvermogen om de subtiele verschillen te onderscheiden in menselijke combinaties — combinaties die nooit helemaal precies herhaald worden. Vuur kennen we en houtkrullen kennen we ook, maar nooit twee mensen die ooit precies gelijk waren of zullen zijn; en het geringste verschil kan de hele toestand van het probleem veranderen. Ons resultatenarchief moet eerst oneindig groot zijn voordat we een volledige voorspelling kunnen doen van toekomstige combinaties; het wonderlijke is dat er zoveel zekerheid is over het menselijk handelen als er is; en zonder twijfel geldt dat hoe ouder we worden, hoe zekerder we ons voelen over wat de ene of de andere persoon zal doen onder bepaalde omstandigheden; maar dat zou nooit het geval kunnen zijn, als het menselijk gedrag niet onder invloed zou staan van wetten, met de werking waarvan we door ervaring steeds vertrouwder worden.

“Als het bovenstaande juist is, volgt daaruit dat de regelmaat waarmee machines handelen, geen bewijs is van de afwezigheid van levenskracht, of althans van kiemen die zich kunnen ontwikkelen tot een nieuw levensstadium. Op het eerste gezicht kan het inderdaad lijken dat een stoomlocomotief er niets aan kan doen dat ze vooruitgaat als ze, vol op stoom en met het aandrijfmechanisme in volle gang, op de rails wordt gezet; terwijl de mens, wiens taak het is haar te besturen, op elk gewenst moment daarop invloed kan uitoefenen; zodat de eerste niets uit zichzelf kan doen en op geen enkele manier een vrije wil heeft, terwijl de tweede over beiden beschikt.

“Dat geldt tot op een zekere hoogte; de machinist kan de locomotief op elk gewenst moment stoppen, maar hij kan dat alleen maar willen op bepaalde, door anderen vastgestelde momenten, of in het geval van onverwachte hindernissen die hem dwingen dat te willen. Dat willen is niet spontaan; er bevindt zich een onzichtbaar koor van invloeden om hem heen, waardoor het voor hem onmogelijk wordt anders dan op een enkele manier te handelen. Het staat bij voorbaat vast hoeveel kracht er aan die invloeden toegekend moet worden, net zoals bij voorbaat vaststaat hoeveel kolen en water de locomotief zelf nodig heeft; en het is heel opmerkelijk dat zal blijken dat de invloeden die op de machinist uitgeoefend worden, gelijksoortig zijn aan die op de locomotief uitgeoefend worden — dat wil zeggen, voedsel en warmte. De machinist gehoorzaamt zijn bazen, omdat hij van hen voedsel en warmte krijgt en als hem die onthouden of in onvoldoende hoeveelheden verschaft worden, zal hij stoppen met zijn werk; op dezelfde manier zal de locomotief het werk staken als zij onvoldoende gevoed wordt. Het enige verschil is dat de mens zich bewust is van zijn behoeften, en de locomotief (afgezien van het weigeren van werk) dat niet schijnt te zijn; maar dat is tijdelijk en is hierboven al besproken.

“Dus als de drijfveren die de machinist moeten aansturen maar voldoende sterk zijn, zal er nooit of nauwelijks een geval voorkomen van iemand die zijn locomotief moedwillig stilzet. Maar zoiets zou toch kunnen gebeuren; ja, en het zou ook kunnen gebeuren dat de locomotief kapot gaat: maar als de trein om een of andere onbeduidende reden gestopt wordt, zal blijken dat óf de kracht van de noodzakelijke invloeden verkeerd ingeschat is, óf dat de man verkeerd is ingeschat, op dezelfde manier als een locomotief het op kan geven door een onvermoed gebrek; maar zelfs in dat geval zal er geen sprake zijn geweest van iets spontaans; het gebeuren zal zijn eigen daaraan voorafgaande oorzaken hebben gehad: spontaniteit is alleen maar een term voor de onbekendheid van de mens aangaande de goden.

“Is er dan ook geen spontaniteit van de kant van degenen die de machinist aansturen?”

Daarop volgde een duister betoog over dat onderwerp, waarvan ik vond dat ik dat het best kon weglaten. De schrijver vervolgt:— “Uiteindelijk komt het erop neer dat het verschil tussen het leven van de mens en dat van de machine eerder een kwestie van gradatie dan van aard is, hoewel er geen gebrek is aan verschillen van aard. Een dier beschikt over meer voorzieningen voor noodsituaties dan een machine. De machine is minder wendbaar; haar actieradius is gering; haar kracht en precisie op haar eigen gebied is bovenmenselijk, maar ze brengt het er slecht vanaf in een netelige situatie; als haar normale activiteit gehinderd wordt, zal ze soms haar hoofd verliezen en van kwaad tot erger komen, zoals een krankzinnige in een vlaag van razernij: maar hier dient zich weer dezelfde overweging aan als eerder, namelijk dat de machines nog in een beginstadium verkeren; ze zijn niet meer dan een skelet zonder spieren en vlees.

“Op hoeveel noodsituaties is de oester berekend? Op zoveel als haar waarschijnlijk zullen overkomen en niet meer. Dat geldt ook voor de machines en de mens zelf. De lijst van ongevallen die de mens dag in dag uit overkomen door zijn gebrekkige aanpassingsvermogen is waarschijnlijk even lang als die van de machines; en elke dag geeft hen wat meer voorzieningen voor het onvoorziene. Laat iemand maar eens de prachtige, zelfregulerende en zichzelf aanpassende mechanieken onder de loep nemen die tegenwoordig deel uitmaken van de stoommachine; laat hem bekijken hoe zij zichzelf van olie voorziet; hoe ze haar behoeften aangeeft aan degenen die haar verzorgen; hoe ze met haar toerenregelaar het gebruik van haar eigen kracht regelt; laat hem kijken naar die opslagplaats van traagheid en stuwkracht, het vliegwiel, of naar de buffers van een treinwagon; laat hem zien hoe een blijvende selectie wordt gemaakt van die verbeteringen, die voorziening inhouden tegen de noodsituaties die zich kunnen voordoen om de machines te teisteren en laat hem dan denken aan honderdduizend jaar en alle vooruitgang die hem dat zullen brengen, tenzij de mens wakker geschud kan worden en oog krijgt voor zijn situatie en de ondergang die hij voor zichzelf aan het toebereiden is. 2

“De ellende is dat de mens al zo lang blind geweest is. Door zich te verlaten op het gebruik van stoom heeft hij zich laten verleiden tot groei en toename in aantal. Als de stoomkracht opeens zou verdwijnen, zal dat niet tot gevolg hebben dat we terugvallen in de toestand waarin we verkeerden voordat die werd ingevoerd; de hele boel zal in elkaar klappen en er zal een tijd volgen van een ongekende anarchie; het zal zijn alsof onze bevolking plotsklaps verdubbeld is, zonder dat er aanvullende middelen zijn om het toegenomen aantal mensen te voeden. De lucht die we inademen is nauwelijks noodzakelijker voor ons fysieke leven dan het gebruik van machines — waarvan wij de kracht benut hebben om in aantal toe te kunnen nemen — dat is voor onze beschaving; het zijn evenzeer de machines die de mens beïnvloeden en hem tot mens maken, als dat de mens invloed uitgeoefend heeft op de machines, die hij gemaakt heeft; maar we moeten kiezen tussen de mogelijkheid om nu te lijden, of toe te zien hoe we langzamerhand verdrongen worden door onze eigen maaksels, totdat we vergeleken daarmee niet hoger staan dan de wilde dieren in het veld met ons.

“Daarin schuilt voor ons het gevaar. Want velen lijken geneigd om in een zo oneervolle toekomst te berusten. Ze zeggen dat de mens, al zou hij voor de machines worden wat paard en hond zijn voor ons, toch zal overleven en waarschijnlijk beter af zal zijn in een gedomesticeerde toestand onder het welwillende bewind van de machines, dan in zijn huidige ongetemde toestand. Wij behandelen onze huisdieren heel vriendelijk. We geven ze alles waarvan we denken dat dat het beste voor ze is; en het lijdt geen twijfel dat ons vleesgebruik heeft bijgedragen aan hun geluk in plaats van daaraan afbreuk te doen. Op dezelfde manier is er reden om te hopen dat de machines welwillend gebruik van ons zullen maken, want hun bestaan zal in hoge mate afhankelijk zijn van dat van ons; ze zullen ons met ijzeren hand regeren, maar ons niet opeten; ze zullen niet alleen onze diensten nodig hebben bij het voortplanten en het opvoeden van hun jongen, maar ook als knecht om ze te verzorgen; om voedsel voor ze te verzamelen en ze te voeden; ze weer gezond te maken als ze ziek zijn; en om hun doden te begraven of hun gestorven leden te verwerken tot nieuwe mechanische bestaansvormen.

“Juist de aard van de drijvende kracht die de verdere ontwikkeling van de machines bewerkstelligt, sluit de mogelijkheid uit dat het leven van de mens een leven van ellende en slavernij wordt. Slaven zijn redelijk gelukkig als ze een goede baas hebben en de revolutie zal niet uitbreken in onze tijd en waarschijnlijk ook niet binnen tienduizend jaar of tien keer zolang. Is het verstandig om je zorgen te maken over een zo ver verwijderde mogelijkheid? De mens is geen sentimenteel dier als het om zijn materiële belangen gaat en hoewel hier en daar een vurige ziel naar zichzelf zal kijken en zijn lot zal vervloeken, omdat hij niet als stoommachine geboren is, zal het overgrote deel van de mensheid berusten in elke regeling die het tegen geringere kosten beter voedsel en kleding geeft en zich niet overgeven aan onredelijke jaloezie, louter en alleen omdat er luisterrijkere lotsbestemmingen bestaan dan die van haar.

“De macht der gewoonte is enorm en de verandering zal zo geleidelijk plaatsvinden, dat het idee van de mens over wat hem toekomt geen moment erg geschokt zal worden; onze slavernij zal ons geruisloos en met onmerkbare stappen besluipen; evenmin zullen de verlangens van mens en machine ooit zodanig met elkaar botsen, dat het tot een onderlinge krachtmeting zal leiden. Onder elkaar zullen de machines altijd oorlog voeren, maar ze zullen nog steeds de mens nodig hebben als het wezen, door wiens bemiddeling die strijd hoofdzakelijk gevoerd zal worden. In feite is er geen reden voor bezorgdheid voor het toekomstig geluk van de mens, zolang hij maar op enigerlei manier van nut blijft voor de machines; misschien wordt hij wel het ondergeschikte ras, maar ook dan zal hij oneindig veel beter af zijn dan nu. Is het dan niet zowel absurd als onredelijk om jaloers te zijn op onze weldoeners? En zouden we ons niet schuldig maken aan totale waanzin als we de voordelen zouden afwijzen, die we niet op een andere manier kunnen verkrijgen, alleen omdat ze meer opleveren voor anderen dan voor onszelf?

“Met degenen die zo redeneren, heb ik niets gemeen. Ik krimp met evenveel afschuw ineen bij het idee dat mijn soort ooit verdrongen of voorbijgestreefd kan worden, als bij het idee dat mijn voorouders, zelfs in het verste verleden, iets anders dan menselijke wezens waren. Als ik zou geloven dat tienduizend jaar geleden ook maar één van mijn voorouders een ander soort wezen was dan ik, zou ik alle zelfrespect verliezen en verder in het leven geen genoegen en belangstelling meer vinden. Datzelfde gevoel heb ik ten aanzien van mijn nakomelingen en ik denk dat dat zo algemeen verbreid is, dat het land zal besluiten om onmiddellijk een halt toe te roepen aan elke verdere mechanische ontwikkeling en alle verbeteringen zal vernietigen die de afgelopen driehonderd jaar doorgevoerd zijn. Dat is het enige waarop ik aandring. We kunnen erop vertrouwen dat we, wat er dan nog overblijft, wel aankunnen en hoewel ik liever zou zien dat die vernietiging voor nog tweehonderd jaar meer zou gelden, besef ik de noodzaak van compromissen en zou ik mijn eigen individuele overtuigingen in zoverre willen opofferen, dat ik genoegen neem met die driehonderd. Minder zal onvoldoende zijn.”

Dat was de conclusie van de aanval die leidde tot de vernietiging van alle machines in heel Erewhon. Er was maar een enkele serieuze poging tot verweer. De schrijver daarvan zei dat machines gezien moesten worden als deel van de eigen lichamelijke aard van de mens, in feite als niets anders dan buitenlichamelijke ledematen. De mens, zei hij, was een gemechaniseerd dier. De lagere dieren houden al hun ledematen thuis, aan hun eigen lichaam, maar veel van die van de mens zitten niet vast en zwerven overal in het rond, nu eens hier en dan weer daar, in verschillende delen van de wereld — sommige worden altijd bij de hand gehouden voor eventueel gebruik en andere bevinden zich van tijd tot tijd op honderden mijlen afstand. Een machine is niet meer dan een extra-ledemaat; dat is de allerbelangrijkste functie van machines. We gebruiken onze eigen ledematen niet anders dan machines; en een been is alleen veel beter houten been dan iemand kan vervaardigen.

“Kijk eens naar iemand die met een spade graaft; zijn rechter onderarm is kunstmatig verlengd en zijn hand is een gewricht geworden. Het handvat van de spade lijkt op de verdikking aan het eind van het opperarmbeen; de steel is het toegevoegde bot en het langwerpige ijzeren blad de nieuwe vorm van de hand, die de eigenaar in staat stelt de grond om te woelen op een manier waarop zijn oorspronkelijke hand niet berekend was. Toen hij zich aldus had aangepast — niet zoals andere dieren zich aanpassen door omstandigheden waarover ze niet eens de schijn van invloed hebben gehad, maar door met voorbedachte rade een el aan zijn bereik toe te voegen — begon voor de mensheid de beschaving te dagen, in de loop der tijd gevolgd door welzijnsdiensten, aangenaam gezelschap van vrienden, de kunst van onredelijkheid en al die hebbelijkheden die de mens het meest verheft boven de lagere dieren.

“Zo schreden beschaving en mechanische vooruitgang hand in hand voort, waarbij ze zichzelf en elkaar ontwikkelden. Het eerste toevallige gebruik van de stok had de bal aan het rollen gebracht en die werd in beweging gehouden door het vooruitzicht op voordeel. In feite moeten machines gezien worden als de ontwikkelingsvorm door middel waarvan het menselijk organisme nu hoofdzakelijk vooruitgaat en elke eerdere uitvinding een toevoeging is aan de hulpmiddelen van het menselijk lichaam. Voor degenen die zo eensgezind zijn en geld genoeg hebben om een treinkaartje te kopen, worden zodoende zelfs gemeenschappelijke ledematen mogelijk; want een trein is niets anders dan een zevenmijlslaars waarin vijfhonderd man tegelijk passen.”

Het enige ernstige gevaar dat deze schrijver onderkende was dat de machines zo’n nivellerende invloed zouden hebben op de vermogens van mensen en de felheid van de concurrentie, dat veel individuen met een minderwaardig gestel zouden ontsnappen aan ontdekking en hun minderwaardigheid overdragen aan hun nakomelingen. Hij vreesde dat het wegnemen van de huidige druk degeneratie van het menselijk ras zou veroorzaken, het hele lichaam geheel rudimentair zou worden en de mens zelf niets anders meer zou zijn dan ziel en mechanisme, een intelligent maar passieloos, mechanisch handelingsprincipe.

“Hoe groots,” schreef hij, “leven we nu niet met onze uiterlijke ledematen! We veranderen ons gestel al naar gelang de seizoenen, leeftijd en toenemende en afnemende rijkdom. Als het regent zijn we voorzien van een orgaan dat gewoonlijk paraplu genoemd wordt en ontworpen is met het doel onze kleren of huid te beschermen tegen de schadelijke effecten van regen. De mens heeft tegenwoordig vele buitenlichamelijke ledematen, die voor hem belangrijker zijn dan heel wat van zijn haar, of in ieder geval dan zijn bakkebaarden. Zijn geheugen gaat in zijn notitieboekje. Hij wordt steeds ingewikkelder, naarmate hij ouder wordt; dan wordt hij gezien met kijkapparaten, of misschien wel met kunsttanden en kunsthaar: als hij een echt goed ontwikkeld exemplaar van zijn soort is, zal hij voorzien zijn van een grote doos op wielen, twee paarden en een koetsier.”

Het was deze schrijver die de gewoonte invoerde om mensen te classificeren naar hun paardenkrachten en in te delen in geslachten, soorten, variëteiten en subvariëteiten, die hij namen gaf in een hypothetische taal, die uitdrukking gaven aan het aantal ledematen dat ze op enig moment konden bedienen. Hij toonde aan dat mensen hoger en verfijnder georganiseerd werden, naarmate ze het toppunt van rijkdom dichter naderen, en alleen miljonairs het volledige aantal ledematen bezitten, waarmee de mensheid onlichamelijk kon worden.

“Die machtige organismen,” vervolgde hij, “onze toonaangevende bankiers en kooplieden, spreken binnen een seconde met hun soortgenoten van de ene tot de andere uithoek van het land; hun rijke en verfijnde ziel kan elke materiële hindernis trotseren, terwijl de ziel van de armen dichtslibt en gehinderd wordt door de materie, die overal aan hen vastkleeft als stroop aan de vleugels van een vlieg, of als drijfzand waarin iemand worstelt: hun afgestompte oren hebben dagen of weken nodig om te horen wat iemand anders hen vanaf een afstand wil zeggen, in plaats van binnen een seconde, zoals de hoger georganiseerde klassen dat doen. Wie zal ontkennen dat iemand die een extra-aanhangsel aan zijn identiteit kan vastmaken en kan gaan waarheen en wanneer hij maar wil, hoger georganiseerd is dan iemand die, als hij hetzelfde vermogen zou willen, en als enige vervoermiddel zijn benen heeft, vogelvleugels zou kiezen als hij evenveel kans had ze te krijgen? Materie, die oude vijand van de filosofen en het onvervreemdbare en wezenlijke kwaad, hangt nog steeds om de nek van de arme en wurgt hem: maar voor de rijke is materie immaterieel; de doorwrochte organisatie van zijn buitenlichamelijk systeem heeft zijn ziel bevrijd.

“Dat is het geheim van het eerbetoon dat wij de rijken zien ontvangen van degenen die armer zijn dan zij: het zou een ernstige misvatting zijn te veronderstellen dat dit verschil voortkomt uit motieven waarvoor we ons zouden moeten schamen: het is het natuurlijke respect dat alle levende wezens betonen aan degenen van wie ze erkennen dat die hoger staan op de ladder van het dierlijk leven en is vergelijkbaar met de eerbied die een hond voelt voor de mens. Bij wilde rassen wordt het zeer eerbaar gevonden om de bezitter te zijn van een geweer en in alle bekende tijden heeft het gevoel bestaan dat degenen die het meest waard zijn, het achtenswaardigst zijn.”

En zo ging hij nog een hele tijd door met zijn poging te laten zien welke veranderingen, in de verdeling van het dierlijke en plantaardige leven in het hele koninkrijk, teweeggebracht waren door allerlei uitvindingen van de mens en op welke manier elk daarvan verbonden was met de morele en intellectuele ontwikkeling van de menselijke soort: aan sommige schreef hij zelfs een aandeel toe dat ze hadden gehad in de vervaardiging en aanpassing van het menselijk lichaam en wat ze daarna zouden hebben in de vernietiging ervan; maar de andere schrijver werd beschouwd als de winnaar en die slaagde er ten slotte in om alle uitvindingen te vernietigen, die de voorafgaande 271 jaar gedaan waren, een periode waarover alle partijen overeenstemming bereikten, na enkele jaren ruziën over de vraag of een bepaald soort mangel, die veel gebruikt werd door wasvrouwen, al dan niet behouden moest worden. Uiteindelijk werd bepaald dat die weliswaar gevaarlijk was, maar net binnen de limiet van 271 jaar viel. Toen kwamen de reactionaire burgeroorlogen, die het land haast te gronde richtten, maar de beschrijving daarvan zou buiten mijn huidige bestek vallen.

 

 

Noten:

 

[1] Het knolgewas waarop hier gezinspeeld wordt, is niet de aardappel uit onze eigen tuinen, maar een plant die daaraan zo nauw verwant is, dat ik het aangedurfd heb dat zo te vertalen. Als de schrijver Butler had gekend zou hij aangaande de intelligentie ervan gezegd hebben —

 

“Hij weet wat wat is en dat is zo hoog

Als het metafysisch vernuft kan vliegen.”

 

[2] Na mijn terugkeer in Engeland is mij verteld dat degenen die vertrouwd zijn met machines, daarover veel termen bezigen waaruit blijkt dat hun levenskracht hier onderkend wordt en dat een verzameling van uitdrukkingen die in gebruik zijn bij degenen die stoommachines bedienen, even opzienbarend als leerzaam zou zijn. Bovendien is mij verteld dat haast alle machines hun eigen kuren en eigenaardigheden hebben; dat ze hun machinisten kennen en bij een onbekende streken uithalen. Het ligt in mijn bedoeling om bij een volgende gelegenheid voorbeelden bijeen te brengen van zowel de uitdrukkingen die gebruikelijk zijn bij mecaniciens, als alle buitengewone uitingen van mechanisch vernuft en buitenissigheid, die ik kan vinden — niet omdat ik geloof hecht aan de theorie van de Erewhonse professor, maar vanwege het belang van het onderwerp.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s